Aanvoertemperatuur vloerverwarming: wat is de juiste instelling?

De aanvoertemperatuur van vloerverwarming ligt in de meeste woningen tussen de 30 en 45 graden Celsius. Dit is aanzienlijk lager dan bij een traditioneel radiatorensysteem, dat vaak op 70 tot 80 graden draait. Die lagere temperatuur is precies wat vloerverwarming zo efficiënt maakt, maar ook wat vraagt om een goede instelling.

Wat is de maximale aanvoertemperatuur voor vloerverwarming?

De maximale aanvoertemperatuur voor vloerverwarming is doorgaans 55 graden Celsius, maar in de praktijk wordt een maximum van 40 graden aangehouden. Een aanvoertemperatuur van 50 graden of hoger wordt afgeraden, omdat dit schade aan de vloer kan veroorzaken. Denk aan kromtrekken van houten vloeren, scheuren in tegels of beschadiging van de lijmlaag onder laminaat. Blijf je onder de 40 graden, dan bescherm je de vloer en houd je het systeem veilig.

De vloeroppervlaktetemperatuur (wat je voelt als je erop loopt) is daarbij ook aan een maximum gebonden. In woonruimtes geldt een maximum van 29 graden voor de vloertemperatuur zelf. In badkamers en randgebieden langs de muur mag dit oplopen tot 33 graden. Dit zijn richtlijnen die ook in de Europese norm EN 1264 worden aangehouden.

Gemiddelde instelling in de praktijk

In nieuwbouwwoningen of goed geïsoleerde bestaande woningen is een aanvoertemperatuur van 30 tot 35 graden vaak al voldoende om de woning comfortabel te verwarmen. In slecht geïsoleerde woningen kan dat oplopen naar 40 tot 45 graden. Hoger dan 45 graden is zelden nodig en vergroot alleen maar het risico op schade en energieverspilling.

Een praktisch richtlijn: stel de aanvoertemperatuur zo laag in als nodig om de gewenste ruimtetemperatuur te halen. Begin bij 35 graden en kijk na een dag of twee of de ruimte voldoende op temperatuur komt. Zo niet, verhoog je in stappen van 2 tot 3 graden.

Aanvoer- en retourtemperatuur: het verschil

Naast de aanvoertemperatuur is er ook de retourtemperatuur: het water dat afgekoeld terugkomt uit de leidingen in de vloer. Het verschil tussen aanvoer en retour heet het temperatuurverschil of “delta T”. Bij vloerverwarming is dit verschil klein, vaak maar 5 tot 8 graden. Dat is normaal. Bij radiatoren is dit verschil veel groter.

Een te groot verschil tussen aanvoer en retour kan erop wijzen dat de pomp te langzaam draait of dat de leidingen deels geblokkeerd zijn. Een te klein verschil kan betekenen dat de warmteafgifte onvoldoende plaatsvindt en de aanvoertemperatuur misschien omhoog moet.

Aanvoertemperatuur instellen bij een warmtepomp

Vloerverwarming wordt steeds vaker gecombineerd met een warmtepomp. Dat is een ideale combinatie, juist omdat warmtepompen het meest efficiënt werken bij lage aanvoertemperaturen. Hoe lager de aanvoertemperatuur, hoe hoger de COP (de verhouding tussen geleverde warmte en gebruikte elektriciteit). Bij een aanvoertemperatuur van 35 graden haalt een lucht-water warmtepomp een COP van rond de 3 tot 4, terwijl dat bij 55 graden terugvalt naar 2 of lager.

Met een warmtepomp en vloerverwarming schiet een aanvoertemperatuur boven de 40 graden dan ook zelden op. Zit je daar toch boven, dan is het slim om te kijken of de isolatie van de woning verbeterd kan worden.

Wanneer de aanvoertemperatuur te hoog is

Er zijn een paar signalen die erop wijzen dat de aanvoertemperatuur te hoog staat ingesteld:

  • De vloer voelt heet aan in plaats van aangenaam warm
  • Je hoort krakende geluiden vanuit de vloer (uitzetting door warmte)
  • Er zijn verkleuringen of beschadigingen zichtbaar aan de vloerbedekking
  • De ruimte wordt sneller warm dan gewenst, gevolgd door oncomfortabele warmte

In al deze gevallen is het verstandig de aanvoertemperatuur te verlagen en te kijken of het systeem opnieuw ingeregeld moet worden.

De juiste aanvoertemperatuur voor vloerverwarming ligt voor de meeste woningen tussen 30 en 40 graden. Begin laag, verhoog alleen als het echt nodig is, en houd 40 graden aan als praktische bovengrens om schade te voorkomen en het systeem efficiënt te houden.

Scroll naar boven