WTW installatie aanleggen: zo pak je het stap voor stap aan

Een wtw installatie aanleggen is een flinke klus, maar het is goed te doen als je eerst een duidelijk plan maakt. Je kiest waar de centrale unit komt, trekt kanalen door je huis, sluit ventielen aan en zorgt voor een goede afvoer van condenswater. Doe je het zorgvuldig, dan heb je jarenlang profijt van energiezuinige ventilatie met warmteterugwinning.

Dit artikel richt zich op de praktische kant van het aanleggen zelf: de planning, de kanalen, de plaatsing van de unit en veelgemaakte fouten. Of je het zelf doet of een installateur inschakelt, het helpt om te weten waar je op moet letten.

Begin met een goed ontwerp voor je wtw installatie

Voordat je ook maar één gat boort, maak je een tekening van je huis met alle ruimtes. Geef per ruimte aan of je daar wil toeblazen (slaapkamer, woonkamer) of afzuigen (badkamer, toilet, keuken). De vuistregel is simpel: schone lucht gaat naar verblijfsruimtes, vervuilde lucht wordt afgezogen uit natte ruimtes. Zo stroomt de lucht logisch door het huis.

Teken daarna de kanalenroutes in. Bedenk of je de kanalen verborgen wegwerkt in een systeemplafond, een centrale schacht of via een verlaagde strook langs de wand. Een strakke, korte route met zo min mogelijk bochten werkt het best. Elke extra bocht verhoogt de luchtweerstand en dat kost rendement.

Let ook op de locatie van de wtw-unit zelf. Een technische ruimte, een meterkast of een zolderruimte zijn typische plekken. De unit moet bereikbaar blijven voor onderhoud (filters vervangen, controleren) en moet een afvoer voor condenswater kunnen krijgen op een laagwaterriool of sifon.

Materialen en kanalen kiezen

Je hebt grofweg twee soorten kanalen: rechthoekige plaatkanalen en ronde spiraalkanalen. Ronde kanalen zijn luchtdichter, makkelijker te monteren en geven minder geluid. Rechthoekige kanalen passen soms beter in smalle ruimtes. Voor een woninginstallatie kies je bij ronde kanalen vaak een diameter van 125 mm voor de hoofdstammen en 90 of 100 mm voor de aftakkingen naar de ventielen.

Gebruik altijd luchtdichte verbindingen. Plak elk moffen- en T-stuk af met butylband of speciale kanaaltape. Een lek in het kanaal betekent dat je warme of koude lucht verliest voor je hem in de ruimte heeft. Dat is precies wat je wilt voorkomen.

Isoleer de kanalen die door onverwarmde ruimtes lopen, zoals een kruipruimte of een koude zolder. Zonder isolatie condenseert er vocht aan de buitenkant van het kanaal of gaat er warmte verloren.

De wtw-unit plaatsen en aansluiten

De unit hangt of staat op een trillingvrije ondergrond. Gebruik rubber trillingsdempers of ophangbeugels met rubberen inlays om geluid te verminderen. Verbind de vier kanaalaansluitingen van de unit: frisse buitenlucht in, geconditioneerde lucht naar de ruimtes, vervuilde lucht uit de ruimtes, en afgewerkte lucht naar buiten.

De buiten- en afvoerkanalen gaan door de gevel of het dak. Zet daar een muurdoorvoer met insectengaas op zodat er geen vogels, insecten of regen in komen. Plaats de buitenluchtinlaat en de afvoer niet te dicht bij elkaar, minimaal 50 cm afstand, anders zuig je de net uitgestoten lucht meteen weer naar binnen.

Sluit het condensafvoerputje aan op het riool via een sifon. Zonder sifon kunnen rioolgeuren terugkomen. Dit is een klein onderdeel, maar het wordt vaak vergeten bij een zelfbouw installatie.

Ventielen instellen en balanceren

Een wtw systeem werkt alleen goed als de luchtstromen in balans zijn: de hoeveelheid ingeblazen lucht moet ongeveer gelijk zijn aan de hoeveelheid afgezogen lucht. Dat stel je in via de ventielen en soms via een regeling in de unit zelf. Gebruik een eenvoudige anemometer of meetkap om de debieten te meten. Vind je dit lastig, dan kan een installateur of een erkende balanceur dit voor je doen.

De typische debieten per ruimte zijn globaal als volgt:

  • Woonkamer: 50 tot 75 m³ per uur toevoer
  • Slaapkamer: 25 tot 50 m³ per uur toevoer
  • Badkamer: 50 m³ per uur afzuiging
  • Toilet: 25 m³ per uur afzuiging
  • Keuken: 75 tot 100 m³ per uur afzuiging (afhankelijk van gebruik)

Dit zijn richtwaarden. De exacte hoeveelheden hangen af van de grootte van je woning en de eisen uit het Bouwbesluit voor nieuwbouw of renovatie.

Zelf aanleggen of toch een installateur?

Zelf een wtw installatie aanleggen is haalbaar als je handig bent en je goed voorbereidt. De kanalenroutes uittekenen, kanalen trekken en de unit ophangen zijn klussen die een ervaren doe-het-zelver aankan. Het elektrisch aansluiten van de unit kun je in veel gevallen ook zelf doen als de aansluiting op een gewone 230V wandcontactdoos gaat, maar bij een vaste aansluiting heb je een erkend elektricien nodig.

Waar mensen het vaakst de mist in gaan, zijn de luchtdichtheid van de verbindingen, het vergeten van de condensafvoer en een slechte balancering van de luchtstromen. Die fouten kosten je later extra energie of zorgen voor tocht en geluidsoverlast. Een professionele installateur kost meer vooraf, maar levert vaak een stiller en beter presterend systeem op.

Ben je van plan subsidie aan te vragen via de ISDE-regeling (Investeringssubsidie Duurzame Energie en Energiebesparing), houd er dan rekening mee dat de installatie door een erkend bedrijf uitgevoerd moet zijn en dat de unit op de goedgekeurde productenlijst van de RVO staat. Doe je het zelf, dan val je buiten die subsidie.

Een wtw installatie aanleggen vraagt dus vooral een zorgvuldige voorbereiding. Met een goed plan, de juiste materialen en aandacht voor luchtdichtheid en balancering leg je een installatie die jarenlang goed werkt en je energierekening merkbaar verlaagt.

Scroll naar boven